Dit voorbeeld LIJKT er niet op!

Noord Bolivia

Eigenlijk ligt er noordelijk van de Yungas nog een heel groot stuk Bolivia: het Amazone bekken

Ik ben nu vier keer in Bolivia geweest, een keer gedurende 6 weken, in 1992 als onderdeel van een reis door Bolivia, een puntje van Brazilië en Paraguay, de tweede keer vier weken in 1993, om daar te trouwen met mijn Boliviaanse vrouw, de derde keer weer vier weken, in 1999, om mijn pasgeboren zoontje aan de Boliviaanse schoonfamilie te tonen en de vierde keer weer vier weken, om ook met mijn tweede kind te pronken.

Anekdote

Vlak voordat ik in het huwelijksbootje treed, ga ik met mijn beste vrienden Frans en Marijke naar Sorata , een lieflijk bergdorpje op zo'n 50 km afstand van La Paz. Het is hier niet zo hoog, 2300 mtr. in plaats van 4000 mtr in La Paz, en we krijgen wat meer zuurstof in ons bloed.

We gaan naar een nieuw hotel, en dit blijkt van dezelfde Duitser als het hotelletje waar ik een jaar eerder verbleef. Ruim opgezet, boliviaans maar met toch een vleugje duitse atmosfeer. De eigenaar is een echte babbelaar en vertelt over de historie, zijn rondreizen en de trektochten die hij organiseert. Gastvrij als hij is, biedt hij ons biertjes aan, die we alleen niet kunnen leegdrinken in zijn straffe tempo. Hij heeft een interessante dagtocht in de aanbieding: naar een berg op 4300 mtr, met een waanzinnig uitzicht op de Illampu (6368 mtr). Daar hebben we wel oren naar. Hij laat de gids komen, en het is geregeld. Om 5:30 's ochtends op pad.

Het pad gaat eerst langzaam omhoog, over weilanden en door struiken. Na een uurtje begin ik mijn benen te voelen. We gaan echter niet stoppen, want we moeten voor het donker thuis zijn, en de weg is hemelsbreed 16 km horizontaal, en 2 km verticaal. Na nog een uur doorbijten sta ik op het punt om eens gezellig in te storten, maar het is vooral de sportieve en frisse indruk die Marijke maakt, dat ik niet toegeef aan mijn zwakte. Eindelijk een pauze, en dan kijk je pas om je heen om te zien hoe mooi het hier is. Ik was de hele tijd bezig om naar de stenen voor me te kijken, en mijn stappen aan te passen aan mijn ademhaling. Tjonge, we hebben toch al flink geklommen. Daarna weet de gids de pret te bederven door te zeggen dat we nog lang niet op de helft van de klim zijn. Capullo (eikel).

Dan gaan we verder klimmen. Marijke huppelt omhoog, haar echtgenoot Frans wil zich niet laten kennen, de gids heeft nergens problemen mee en ik voel me emotioneel onbegrepen. Vele zware uren verder houden we vaker pauze. De ijle lucht helpt niet mee met klimmen, maar ik begin een voorsprong te voelen. Door omstandigheden gedwongen rook ik op deze toch aanzienlijk minder, en krijg relatief zo toch wat meer luxueus zuurstof binnen. Maar het blijft zwaar.


Marijke is al op de top aangekomen, en roept bemoedigende woorden naar beneden. Het laatste stuk is ook meteen het steilste, en na elke tien meter klimmen moet ik stoppen om lucht te happen. Gelukkig zie ik dat Frans eveneens een goudvis nadoet, gedeelde smart is halve smart. We komen op een vlak stuk uit, en gaan even uitblazen. Marijke huppelt het hele veld over, en roept ons om te kijken naar die majestueuze witte wand van de Illampu, aan de andere kant. Het lukt ons nog even niet. Daarna komt zo'n spontane wolk, die je alleen in de bergen ziet, om het uitzicht te benemen voor de rest van het kwartier dat we boven op de berg verblijven. Op het veld ligt een meertje. Meteen daarachter de diepte met een fraai uitzicht over een brede vallei. Het is een mooi gezicht de oppervlakte van het meertje hoog boven de diepte te zien glimmen. We lopen rond op het veld, en we zien een inca tempel, waar de inca's vroeger konden genieten van de zonsopgang die de wand van de Illampu fantastisch verlicht. Voor de duidelijkheid, de zonsopgang is nu allang voorbij, en die wolkenpartij houdt de berg in nevels gehuld.


Jammer van de Illampu, maar de rest van het uitzicht is letterlijk adembenemend. We kunnen in de diepte ook nog een verlaten mijnwerkers kolonie ontdekken.

Je zou zeggen dat de tocht omhoog het moeilijkste is, maar dat blijkt niet het geval. Naar beneden gaan is linke soep, stenen die losliggen, en bij elke stap een dreun op je knieschijven. Door vermoeidheid neem je teveel risico's, en wordt het echt gevaarlijk, vooral als het ook nog donker wordt.

Het laatste stuk is niet steil, maar onze knieën schudden en knikken. We strompelen het eerste restaurantje wat we tegenkomen in, en nemen een welverdiend biertje. Moe maar voldaan, zou ik zeggen.


Na Sorata hebben we Coroico bezocht. Dit is nou wat je een lief bergdorpje kunt noemen. Het is januari, dus begin van de zomer, en de bloemenpracht is overweldigend. Het dorpje zelf is vrij klein en heel idyllisch.

Ik zat met mijn aanstaande en haar vader in een cafeetje en we keken uit over het dorpsplein naar de kerk. Tot mijn verbazing zag ik een paar neger-jongetjes spelen. Waar kwamen die nou vandaan, want ze leken totaal niet op de afstammelingen van de inca's. Ik vroeg dit aan mijn vriendin, en op dat moment zag ik een zwarte pastoor de kerk in gaan. Dus ik zei: ah, ik snap het al. Mijn vriendin was ernstig beledigd en heeft een hele dag niet met me willen spreken.

Het blijkt dat lang geleden een aantal zwarte slaven de zilvermijnen in Potosi, 500 km zuidelijker, ontvlucht is. Zij zijn gaan wonen in de omgeving van Coroico, en wonen daar nog steeds in kleine arme gemeenschappen. Vandaar.

De tocht van La Paz naar Coroico is spectaculair. Een onverharde smalle weg die zich langs de bergwand omlaag slingert.


<< vorige pagina
volgende pagina >>

North Bolivia

Actually, there is a very large part of Bolivia north of the Yungas: the Amazon Basin.

I have now been to Bolivia four times: once for 6 weeks in 1992 as part of a trip through Bolivia, a small part of Brazil, and Paraguay; the second time for four weeks in 1993 to marry my Bolivian wife; the third time for another four weeks in 1999 to show my newborn son to my Bolivian in-laws; and the fourth time for another four weeks to show off my second child as well.

Anecdote

Just before I got married, I went with my best friends Frans and Marijke to Sorata, a lovely mountain village about 50 km from La Paz. It is not as high here, 2,300 meters instead of 4,000 meters in La Paz, and we get a bit more oxygen in our blood. We are heading to a new hotel, and it turns out to be owned by the same German as the little hotel where I stayed a year earlier. Spacious, Bolivian but with a touch of German atmosphere. The owner is a real chatterbox and tells us about the history, his tours, and the treks he organizes. Hospitable as he is, he offers us beers, which we unfortunately cannot finish at his brisk pace. He has an interesting day trip on offer: to a mountain at 4,300 meters, with an incredible view of the Illampu (6,368 meters). That sounds appealing to us. He has the guide come, and it is arranged. We set off at 5:30 in the morning.

The path ascends slowly at first, across meadows and through bushes. After an hour, I start to feel my legs. However, we aren't going to stop, because we have to be home before dark, and the road is 16 km horizontally as the crow flies, and 2 km vertically. After gritting my teeth for another hour, I am on the verge of collapsing, but it is mainly the sporty and fresh impression Marijke makes that prevents me from giving in to my weakness. Finally, a break, and only then do you look around to see how beautiful it is here. I spent the whole time looking at the stones in front of me and adjusting my steps to my breathing. Wow, we really have climbed quite a bit already. Then the guide manages to spoil the fun by saying that we are nowhere near halfway up the climb. Capullo (idiot).

Then we continue climbing. Marijke skips up, her husband Frans refuses to show his weakness, the guide has no problem with anything, and I feel emotionally misunderstood. Many tough hours later, we take more frequent breaks. The thin air doesn't help with the climb, but I'm starting to feel a lead. Forced by circumstances, I'm smoking considerably less on this ride, and thus getting a relatively more luxurious breath of oxygen. But it remains tough.


Marijke has already reached the summit and is calling encouraging words down. The final stretch is also the steepest, and after climbing every ten meters, I have to stop to catch my breath. Fortunately, I see that Frans is also imitating a goldfish; shared misery is half misery. We reach a flat area and take a moment to catch our breath. Marijke skips across the entire field and calls out to us to look at that majestic white wall of the Illampu on the other side. We don't manage it just yet. Then comes one of those spontaneous clouds that you only see in the mountains, obscuring the view for the rest of the fifteen minutes we spend on top of the mountain. There is a small lake in the field. Immediately behind it lies the abyss with a beautiful view over a wide valley. It is a beautiful sight to see the surface of the lake glistening high above the depths. We walk around the field and see an Inca temple, where the Incas used to enjoy the sunrise that illuminates the wall of the Illampu fantastically. Just to be clear, the sunrise is long gone by now, and that cloud formation keeps the mountain shrouded in mist.

Too bad about the Illampu, but the rest of the view is literally breathtaking. We can also spot an abandoned miners' colony in the distance.

You would say that the climb up is the hardest part, but that turns out not to be the case. Going down is a treacherous business, with loose stones and a thud on your kneecaps with every step. Due to fatigue, you take too many risks, and it becomes really dangerous, especially when it starts to get dark.

The last stretch isn't steep, but our knees are shaking and buckle. We stumble into the first little restaurant we come across and grab a well-deserved beer. Tired but satisfied, I'd say.


After Sorata, we visited Coroico. This is what you could call a sweet little mountain village. It is January, so the beginning of summer, and the floral splendor is overwhelming. The village itself is quite small and very idyllic.

I was sitting in a small café with my fiancé and her father, and we looked out over the village square towards the church. To my surprise, I saw a few Black boys playing. Where did they come from, because they didn't look at all like the descendants of the Incas. I asked my girlfriend about this, and at that moment I saw a Black priest go into the church. So I said: ah, I get it now. My girlfriend was seriously offended and refused to speak to me for a whole day. It turns out that a long time ago, a number of Black slaves escaped from the silver mines in Potosi, 500 km further south. They settled in the area around Coroico and still live there in small, poor communities. That explains it.

The journey from La Paz to Coroico is spectacular. A narrow unpaved road that winds down the mountainside.


<< previous pagina
next pagina >>