Ik ben maar een keer in China geweest, in 1991, drie maanden, als onderdeel van een reis van een half jaar, van Indonesië, Singapore, Maleisië, Thailand, Hongkong, China en Pakistan.
Via de Gobi woestijn (zie hiernaast) aangekomen in het midden van China (dus ver van Tibet), vlakbij Lanzhou. Ik ging naar Xiahe (spreek uit: sjiage), en zag vol verbazing dat dit een Tibetaanse stad is, zo noordelijk.
De stad is in tweeën gedeeld: de oude traditionele stad, en een Han-chinese tweede stad er tegenaan geplakt (foto). Dat gebeurt in China heel vaak. Het Han-chinese gedeelte wordt bevolkt door enkel Han-chinezen, die hier niet altijd op vrijwillige basis naar toe verhuisd zijn. Voor het lichtste vergrijp worden 'criminelen' verbannen naar achteraf gebieden, om op deze manier mee te helpen de oorspronkelijke bevolking in de minderheid te krijgen.
De stad had vroeger 12 Tibetaanse kloosters, maar na de culturele revolutie is er daar nog eentje van over, en daar vinden weer Tibetaanse gebedsdiensten plaats (foto)
. Gelukkig maar. Tijdens een wandeling in de bergen, met een fantastisch uitzicht op de stad, kom ik een paar tibetaanse monniken tegen, en ik begin weer een gesprekje met handen en voeten (ik spreek helaas geen chinees), waar ik onderhand best wel bedreven in ben. Een van die monniken heeft een prachtige zonnebril, gemaakt van geslepen natuursteen (foto)
. Heel erg mooi. Die verkopen ze volop in de stad, alleen wel voor zo'n vijftig gulden. Dat is voor mij, op deze low budget reis, een onoverkomelijk bedrag. Het spijt me nu nog als haren op mijn hoofd dat ik er geen gekocht heb.
In de jeugdherberg (anders wil ik dit hotel niet noemen), hoor ik van een paar andere toeristen dat ze met een busje naar de grasvlaktes willen. Klinkt interessant want we zitten hier toch wel op een paar kilometer hoogte, en de bergen zien er erg mooi uit. Misschien komen we nog een yak tegen. Nou, die yaks hebben we gezien (foto)
, en als je ze ruikt weet je meteen waarom ze yak heten (jakkes). We rijden nog wat verder over een geweldig grote vlakte tussen de bergen. Imposant, geen boom te zien, alleen gras, zoals afgesproken.
We zien een verzameling stippen in de verte. Dichterbij gekomen zien we dat hier wel honderd mooi beschilderde tenten staan, die boordevol Tibetaanse monniken zitten. Ze zijn druk bezig met zingen en bidden. Het blijkt een toeval, dat uitgesproken deze week een grote processie aan de gang is, met veel gasten uit Tibet. Even verderop richten een aantal monniken een brandstapel op, van coniferen takken (foto)
. Het toeval wil dat er in de wijde omtrek geen conifeer te zien is. De brandstapel krijgt bovenop nog een laag van meel en snoepjes, en andere offergaven. Helemaal bovenop komt een boeddhabeeld gemaakt van yakboter. Dan gaat de fik erin, en blazen de monniken op grote schelpen (foto)
(wederom, we zijn echt ver van de zee).
Twee monniken strooien ladingen flinterdunne briefjes met tekeningetjes en teksten erop, in de stijgende rook. De briefjes klimmen tot hoog in de lucht, en dwarrelen dan weer naar beneden. De kunst is er eentje te vangen voordat-ie op de grond valt. De goden hebben zo'n briefje dan in dank aanvaard, en sturen hem terug naar de aarde, maar nu tsjokvol zegeningen. Eentje opvangen is genoeg. Dat heb ik uiteraard gedaan, en ik denk toch dat er een verband is met het feit dat ik jaren later zo'n lieve vrouw en geweldige zoontjes gekregen heb.
Compleet van de wereld na zo'n bijzondere ervaring, loop ik wat verdwaast de bergen in. In de verte zie ik een groepje monniken in een kringetje zitten (zie hiernaast). Ik zet mijn telelens op de camera, omdat dit wel een plaatje is. Zij gebaren me dichterbij te komen. Een beetje zenuwachtig kom ik dichterbij. Zij verzoeken me in het kringetje plaats te nemen. Het zijn allemaal oudere mannen, in rood gekleed. Allemaal een glimlach van oor tot oor, en bijzonder ontwapenend (foto)
. We gaan weer een beetje keuvelen, met handen en voeten. Ik probeer nog uit te leggen waar ik vandaan kom (helán, hélan, hêlan, hèlaan, . . .) maar ik geloof dat er toch iets in de vertaling mis ging. Ik laat mijn lonely planet boek zien, en denk dat ze de foto met de Dalai Lama misschien we leuk vinden. Wat heet. Ze zijn diep onder de indruk. Of ik nog meer foto's van de Dalai Lama heb. Helaas. Mocht ik er ooit nog eens komen, dan neem ik stapels foto's mee, want deze foto's mogen in China niet verkocht worden.
Een anderhalve dag met de trein verderop naar het westen ligt Turfan (zie hiernaast), midden in de Taklamakan woestijn. Dat betekent zoveel als 'je kunt er wel in, maar komt er niet meer uit'. Turfan heet ook wel de oven van China, en dat komt omdat het een oase is in een depressie, ongeveer 50 meter beneden zeeniveau. Alle warmte blijft er goed hangen, en in de zomer is het er zeker 45 graden celcius in de schaduw. Een prachtig islamitisch stadje, met een heel oosterse sfeer. Bebaarde mannen, vrouwen met hoofddoek, arabesken en stokoude minaretten. En een heel kleurrijke gezellige markt. Als oase wordt hier elke centimeter gebruikt. Een eeuwenoud ondergronds irrigatie systeem verdeelt alle water op een eerlijke manier, en langs vele trottoirs zijn tegels weggehaald om ruimte te bieden aan druivenstokken. Haal het niet in je hoofd om zo'n verleiding te plukken, want met straffen doen ze daar niet kinderachtig.
Rond het middaguur ga ik nog even naar het postkantoor, die trouwens dicht bleek. Wat een hitte. Ik sjok terug, en kom langs een soort garage met allemaal stoeltjes buiten. Geen auto te zien, maar wel zo'n klassieke benzinepomp met een belletjesglas. Blijkt geen garage te zijn, maar een bierhol. Sterk, in zo'n islamitisch stadje. Met die benzinepomp worden grote hardplastic bekers gevuld, die er uitdagend uitzien en nog veel beter smaken. In China zijn vele soorten bier, waarvan sommige smaken zoals pannekoeken horen te smaken, maar dit is voortreffelijk. Geserveerd tussen acht en twaalf graden, waar het bijna vijftig in de schaduw is. Ik neem nog maar een tweede glas, en geniet op mijn gemak. Dan, als ik probeer op te staan merk ik dat dit zeker halve liters waren, en mijn benen voelen ongemakkelijk zwaar aan. Waar de transpiratie nagenoeg gestopt was tijdens het drinken, gutst het nu werkelijk langs mijn rug. Ik werk me onhandig richting hotel, ontwaar mijn kamer, en betreur het dat ik alleen een ventilator heb in plaats van airco. Daar doen ze hier niet echt aan. Het verschil met een avondje zwaar stappen met vrienden is, dat je dan op zijn minst nog een leuk avondje had. Dit is echt balen. 's Avonds gaat het weer stukken beter, en geen kater want tenslotte waren het maar twee biertjes. De hitte en uitdroging maken van bier hier een gevaarlijk goedje.
Later bezoek ik nog een stokoude moskee
, en dan op weg naar de 'flaming mountains'. Vlakbij felrode rotspartijen ligt de vorige oase (zie hiernaast). Even uitleggen: de woestijn verschuift vaak. Een stad kan eenvoudig worden opgeslurpt door de woestijn, en wordt dan verlaten. Op de plek waar een nieuwe oase opduikt bouw je dan een nieuwe stad: Turfan. De oude oasestad is heel goed geconserveerd. Even verderop, tussen de bergen, ligt een oud kloostercomplex in grotten. Dit is een unieke plek, waar chinese cultuur samensmolt met indiase cultuur en griekse cultuur, de laatste gebracht door de nestorianen rond het begin van de jaartelling. Heel apart om indiase goden met hun gezicht driekwart afgebeeld te zien. Helaas zijn er erg weinig fresco's over. Rond 1900 heeft een duitse archeoloog deze fresco's met een kettingzaag weggehaald op een duidelijk ruwe manier, en meegenomen naar Berlijn. In de bombardementen op Berlijn rond 1944/1945 is de volledige verzameling ten gronde gegaan. Nu kun je in midden China nog de gaten zien waar eens heel mooie en unieke wandschilderingen waren.
Na Turfan verder met de trein door de Taklamakan woestijn naar Urumqi
.
I ve only been once to China, for three months, as part of a journey of half a year, from Indonesia, Singapore, Malaysia, Thailand, Hong Kong, and China to Pakistan.
I went from Hohhot, the capital of Inner Mongolia, by train through the Gobi desert to Lanzhou.
In the center of China, near the city of Lanzhou, I went to a city named Xiahe (pronounce: Tsjiage), and was amazed to see that this city was so Tibetan, whilst Tibet itself is at least 1000 km further south. The city was divided in two part, as was quite a common practice from the Chinese. To outnumber the locals, they make a second city with the same name, which is inhabited by Han-Chinese only. Not all of them moved voluntarily to the remote areas. For the smallest crime, Chinese are requested to move to another city in the hinterland.
The city used to have twelve big Tibetan monasteries, but after the cultural revolution only one remained. At least this one is fully operational now, with impressive Tibetan rituals. Devotees walk numerous times around the monastery, and after every step they lay down on the ground in worship. They wear leather gloves and protection for their knees, as this is quite a difficult job. Getting up and down every few seconds looks like a heavy task for their backs.
During a walk in the surrounding mountains, I met two Tibetan monks, and I started a small conversation with my hands and feet, as I still don t master any level of Chinese. One of these monks had a cool pair of sunglases, made locally from natural glass. Outrageously beautiful, but pretty expensive at 20 dollars, which was way more than my daily budget on this low budget journey. Even today I regret that I din t buy one.
In a youth hostel (that s the one name this hotel deserved), I heared from some other tourists that they wanted to visit the plains. That was a great idea, as we were at high altitude, between sloping green mountains. Maybe we would even spot a yak. Well, we did see a few yaks, a kind of exaggerating bull with a terrible stench. We drove further over these enormous plains of grass, where nothing could be seen but grass, as agreed beforehand.
Then we saw some white spots in the distance, which to our surprise turned out to be hundreds of beautifully painted tents in the middle of nowhere, all filled with Tibetan monks in full dress. They were busy chanting and reciting, as you can hear on one of these links below. I can say that I was deeply impressed by this spectacle. Many monks came all the way from Tibet, and this was just pure luck to see this happening. I wasn t allowed to take pictures, so I put my tele lens on.
In a clearing some monks made a big stake out of conifer, and I think they must have carried that all the way us, as there was no sign of any conifer or even a single tree. They piled up faggots till some two meters, and covered it with sweets, presents and grain flour. On top they placed a statue of Buddha, made from yak butter. Then they ignited the stake, whilst blowing on a king size cone shell. Two monks threw very thin papers imprinted with stamped drawing into the uprising smoke, and these papers flew up high in the sky. Eventually, they came down again, and then it s the trick to catch one before it touches ground. The gods accepted these leaflets in pleasure, blessed them and sent them back to earth. Actually, it could have been gravity as well, but anyway, I caught one and there could be a connection to the fact that a few years later I was blessed with a sweat wife and two little boys.
Slightly dazed after such an experience, I wandered around in the surrounding fields. Then I noticed a group of monks sitting in a circle. Again I put the telelens on my camera, but they indicated that I should approach them. They offered me a place in their circle of elderly monks, all dressed in red. They all had a smile from ear to ear, and looked pretty happy, far away from any worry in the world. We spoke a bit, with hands and feet, and I tried to explain where I m from. (hel n, h lan, H lan, h laan, ) but I think something went wrong in the translation. I showed them my Lonely Planet book, and they were mighty impressed by the picture of the Dalai Lama. Did I had more pictures of him? No, but the next time I ll go there, I ll carry loads of those pictures, as they are not for sale in China.
It took a day and a half by train to arrive in Turfan, an oasis city in the middle of the Taklamakan desert, which means something like you can get in, but you won t get out . Turfan is also known as the furnace of China, as it is located in a depression, about 50 meters below sealevel. All desert heat stays hanging in the oasis, and a temperature of 45 degrees centirgrade is guaranteed, even in the shade. It s a beautiful oasis, very a very Islamic atmosphere. Barbed men, women with headscarfs, mosques with arabesques and mighty old minarets. And the market is is cosy, colorful and just great. As is usual in an oasis, all centimeters are used. Tiles were removed from the streets, to plant grapevines. Don t even think about taking one single grape, as these guys really need the harvest to survive, with matching penalties.
At noon I went to the post office, which turned out to be closed. It ain t half hot, mum. I went back to the hotel, and halfway back I noticed some kind of garage, but with lots of chairs outside. It turned out to be a bar. The old fashioned gasoline pump at the street didn t serve gasoline, but beer ! What a great idea. They served the beer in big plastic mugs and it looked so darn inviting that I couldn t resist. It was served between 8 and 12 degrees centirgrade, whilst the city was about 50 in the shade. Many times, beer in china tastes like pancakes should taste, but this was wonderful. So I had another, and enjoyed my holidays to max extent. When I tried to leave, I noticed that the glasses must have been half a liter, and my legs felt like twice the usual weight. Where sweat stopped during the drinking, now it was streaming over my back. I clumsily made my way back to the hotel, and regretted I didn t had airco. I must have picked up some malaria somewhere, and fell in bed. Later that night it got better, but I regretted the situation, boozing at home with friends might give the same sensation, but at least you had a great evening with friends. Heat and dehydration make beer a dangerous liquid.
The next day I went to the flaming mountains , deep red rock formations, nearby an old deserted oasis, now dry and in ruins. The desert slowly but steadily moves to the west, absorbing cities. Where a new oasis starts, that s where the new city is build: Turfan. The ruins were in great shape, and it must have been an impressive city, long time ago.
Some kilometers further, between the flaming mountains, there was an ancient monastery complex. This is a unique spot, where Chinese culture blended with Indian and greek culture. The latter was introduced by the Nestorians, some two thousand years ago. It s very strange to see Indian gods, portraited in face. Unfortunately, most of the frescos were missing. In 1900, some german archeologist removed the frescos with a chainsaw, in an unprofessional way. He shipped them all to Berlin, were they were displayed in the national museum. This museum was destroyed, together with this beautiful collection, by bombardments in 1944. Today you can only admire the holes in the monastery, where once some most spectacular frescos used to be.
After Turfan I continued to Urumqi, by train through the Taklamakan desert.